Feeds:
Berichten
Reacties

Kraaien krassen grootse liederen
Veilig boven het gouden rood
IJzig blauw omringt hun boven
Morgen komt de dood       

Storm giert door de grote gele bomen
Regen striemt in je gezicht
Laten wij maar slapen gaan
Doe je ogen dicht 

Zullen wij niet langer treuren
Het is zo weer voorbij
Dan komen nieuwe kleuren
Dus blijf nog even hier, bij mij

De fakkel die ze stevig naast zich in de grond heeft gezet, werpt een warme gloed op hen beiden. Ze kijkt naar zijn witte huid die door het donkere hout van de kajak nog witter lijkt. Het water van de rivier klotst tegen de kajak aan en doet het lichaam bewegen. Ze richt zich op en kijkt over de lange rivier die voor haar ligt. Het water glinstert in het maanlicht. Aan het einde ziet ze de stoom die de waterval veroorzaakt.

Even laat ze de twijfel toe in haar hart. Ze hoeft de kajak niet van de waterval af te laten storten. Ze hoeft zijn hand niet los te laten. Ze hoeft hem niet los te laten. Dat is waar, ze hoeft hem niet los te laten.

De kajak danst op het water als ze instapt. Ze gaat naast hem liggen en voelt zijn koele witte huid op de hare. Haar vingers pakken nog steviger zijn hand vast en langzaam verstrengelt haar hand zich met de zijne.

Het geraas van de waterval wordt sterker. De dauwdruppels dalen op hen neer. Ze kust nog éénmaal zijn wang, zijn ogen, zijn mond en dan is er niets meer. Geen sterren, geen maan, geen zon. Ze zijn weer samen.

Oktober

De kou van oktober snijdt vilein,

Door mijn vingers op mijn stuur.

Handschoenen lijken van satijn,

Speeksel op mijn tong proeft zuur.

In de nevelige verte van de straat,

Loopt een lange slanke man.

Mijn ogen vullen zich met haat,

Bevroren tranen op mijn wang.

Mijn benen fietsen steeds harder,

Willoos als gemaakt van elastiek.

De draadjes raken steeds verwarder,

Mijn hoofd vult zich met muziek.

Steeds sneller neemt het ritme af,

Terwijl mijn hartslag zich vertraagt.

Ineens ben ik opnieuw te laf,

Voel hoe mijn onwil de fiets doorzaagt.

De schaduw van de man verplaatst zich,

Grijs gaat op in dieper grijs.

Merk dat ik doodstil op de stenen lig,

Bedolven en omringd door ijs.

-

Allemaal hetzelfde doel

dezelfde bestemming

Voor even samen

omdat het moet

omdat het nodig is of

omdat het simpelweg niet anders kan

Om daarna nooit meer in dezelfde samenstelling terug te keren

Oktober creatie

In oktober omhult de reusachtige zeepbel ons zelfgecreëerde paradijs

Van teveel mensen, teveel auto’s en gevaar.

Zo veranderde de diamant al spoedig in een blaar

Niet glanzend meer maar grauw en grijs.

 

Pijnlijk is dan de druk van binnenuit.

De tergende spanning op de overkapping.

Nog even en dan knapt ie.

Een scheurtje in de buitenkant en het vocht gutst eruit.

 

Roekeloos rennen de mensen in het rond

Op zoek naar een droog onderkomen.

Boos schuilen zij onder hoge bomen

En vervuilen hun schoenen met doorweekte grond.

Afrika

De grote vallei, open en bloot

Een uitgestrekte zandvlakte omringt hen.

De huisjes in de verte zijn slechts een bijfiguur in het decor van hun leven.

 

Een groep donkere mensen vult een heuvel in het zandlandschap.

In het midden van de kring staat een man.

Met zijn hoofd gebogen, zijn armen hangen roerloos langs zijn lichaam.

 

Hoofdschuddend staat hij daar, omringd door mensen die dit samen met hem moeten beleven.

Zij steunen hem, geven hem kracht. Dit is familie.

 

Met zijn allen voor één vormen zij een eenheid, een samenzijn, een band die niet te doorbreken is.

Zonnedood

Een traan blinkt en valt

Neer op de rode aarde

En verdwijnt, verdampt

Zonder enige waarde

 

Het dier krijst

Zoals alleen een dier dat doet

De grond prijst de halfdode

Zijn geur is leven, zoet.

 

De gieren dansen hun dodendans

In de zinder van de zon

De lege vlakte eist een leven

Dat kort geleden pas begon

 

De geur van water, leven nog op de tong

Een wrange martel, deze leegtemoord

En zoals het leven dit dier op zijn poten dwong

Zo spreekt de dood tot hem het laatste woord.

Zomerslaap

het paarse schijnsel zakt achter de pieken
wieken van nacht vervormen de pracht
tot een effen en schrale mythe

wanneer de takken hun weelde verwerpen
scherpt mijn gevoel tot diep in mijn bloed
ik weet weer wie ik ben

Oktoberdichtsel

Ik hoor mijn botten kraken

Voel een koude op mijn rug

De glans, die is nu over

Het grauw, dat is weer terug

 

Ik wil mijn woede waken

Om me te warmen aan zijn kracht

Maar de mist vermijdt bezinning

De koude wurgt me zacht

 

Een glimlach vliegt in mijn gedachten

Haakt zijn vleugels in mijn hoofd

Dit wordt een zware winter

Zoals het leven mij heeft beloofd.

Oktober en muziek.

Scheur af het feestgewaad
En laat de resten
Dwarrelen als
Bladeren.
Buig het hoofd
Voor de kroon van roest.

Vier het verval
Het vlammend sterven
Van de zomer.

~

Weet je nog hoe we door het hoge gras liepen, scherp en bruin, onwillig knakkend onder onze schoenen, de stok waaraan de veer en het rafelige touwtje waren geknoopt. Wijd was de wereld en de weg lag achter ons, het hek dat verzakte in de donkere modder. Koper was de zon en oneindig onze voetstappen, de echo van onze stemmen. De vochtige grond en de kruipende algen in de sloot, alles was alleen voor ons, het trillen van de lucht en de gesponnen wolken. Luchtkastelen en droomwerelden, nu vervaagd in de wind, toen krachtig als onze lach.

Oudere Berichten »