Maandag
Het zand zakt uit de zee
Ik zeef, ik veeg
Voeten hebben veters
Dinsdag
Gewoon weer een dag
Soms bont, soms rood
Of blauw, of grauw
Of wat dan ook
Woensdag
Voeten hebben vleugels
Zweef, fladder
Fladder door ideeën
Weer moed, weer zin
Zweef
Fladder
Donderdag
Geen tijd, geen tijd
Moet nu, moet snel
Geen vragen, geen tijd
Geen dralen, kein zeit!
Vrijdag
Wekker ontwaakt een trein
Trein reist naar school
School leert een student
Student stelt geen wekker
Zaterdag
Zet het van me af
Ik luister, ik lach
Ik speel, ik lach
En zeg de zaterdag gedag
Zondag
Was het leu-heuk?
Genoeg geda-haan?
Iets gele-heerd?
Ben je geru-hust?