Woensdag 19 september
Als gladiatoren staan ze daar
in grote rijen voor ’t publiek.
Schitteren zij in hun tuniek
van jong talent of vroeg gevaar.
Gedreven door onbekende factoren,
Maar allen met hetzelfde doel
gaan zij op in het gewoel ,
en vechten om erbij te horen.
In groepjes staan ze bij elkaar,
Bang voor andere arenagasten.
Tot de tijd ze aan zal tasten.
Toch spannend wel, zo’n eerste jaar.
Donderdag 20 september
Er staan ijsbloemen op het raam.
Deuren die klemmen en kraken.
De koude wind die door het huis heen blaast
En loeit over met sneeuw bedekte daken.
Konijnenpasjes op het witte gras.
Vogelvoetjes en takjes op het pad.
Mijn vers bedekte grond lijkt zacht
Maar loog want hij is hard en glad.
Fietsers remmen, slippen en vallen
Vormen obstakels op de straat.
Koude tenen, koude handen
tot het weer eindelijk over gaat.
Vrijdag 21 september
Zo machteloos als ze nu was,
Zo sterk voelde ze zich vannacht
Liggend op het vuile matras
Had zij haar plan goed uitgedacht.
’s Ochtends, toen de winkelier haar uit het steegje joeg
besloot ze dat vandaag de laatste keer was dat
ze haar armen om haar verkleumde lichaam sloeg
en moest vluchten voor iets dat ze niet bezat.
Daar stond ze dan, met verslagen ogen
Te kijken naar het diepe gat waar ze zich in wou smijten.
Met hangende schouders en haar hoofd gebogen
Voegde zij de afgrond bij de rest van haar stommiteiten.
De twijfel had wederom gewonnen
Weer had ze niet de kracht om door te gaan
Om te stoppen wat een ander was begonnen
En haar wereld aan haar voorbij te laten gaan.
Zaterdag 22 september
Bij de tweede stap wist ik het al.
Ik doe het niet.
Maar ik ren wel.
Snel, steeds sneller, niemand ziet het.
Het obstakel wordt steeds groter,
Mijn ogen recht vooruit.
Driekwart.
Ik minder vaart, huppel, en buig af
Eerst opluchting dan teleurstelling.
Kwaad op mezelf en bang.
De volmaakte boog,
Eist zijn tol.
Het wachten is naar.
Nog een weigering zinloos.
Iedereen gaat.
Dit keer niet rennen maar stormen.
Niet stoppen, dit maal
Hoofd leeg en gaan.
Ik spring, zweef, voel het vlak onder mijn handen.
Voor het landen grijpt men mij vast.
Wankelen, corrigeren en staan.
Tevreden een stapje omlaag,
Dezelfde weg als net maar nu langer.
Ik kan het.
Zondag 23 september
De zwarte rechte lijn met strepen.
Bomen, slootjes, velden, palen in de grond.
Flitsend.
De snel draaiende trappers klikken.
Het gezoem van het dynamodopje dat tegen een band aan schuurt.
Geratel op de weg.
Er zijn donkere struiken,
Maar enkelen zijn wit.
Dat is raar.
Lantaarnpalen verlichtten de helft.
Geen passanten, geen tegenliggers.
Ik ben alleen.
Mensen verschijnen op rare plaatsen
In een sloot of achter een heg waar geen mens achter past.
Als ik er ben zijn zij weg.
Geen vogels meer maar vleermuizen
Mijn hoofd schiet opzij.
Mijn schaduw haalt me in.
Vlinders en diamanten
Leuke liedjes, niet te hard
Fluisterend zingen.
Ik ben er bijna.
Maandag 24 september
Roze is de weg waarnaar ik ga,
Het pad waarop ik al tijden sta.
De wereld die voor mij open ging
Is omgeven door een lichtroze schittering
Mijn hele lichaam straalde
Toen hij zijn woorden herhaalde.
En boven ons, die mooie ster,
Maar ik scheen feller en verder.
Maar als ik nu naar boven staar
Is diezelfde sterrenhemel daar.
Die leerde mij dat ook sterren niet eeuwig schijnen.
En langzaamaan zag ik mijn fonkeling verdwijnen.
De gele gloed om mij heen
Bleef nog even maar verdween
Langzamerhand.
En op een dag was mijn sterretje uitgebrand.
Van binnen was ik koud en leeg.
Toen kwamen de dagen dat ik zweeg.
Hij begreep helaas te laat,
Dat van elke ster de glans vergaat.
Dinsdag 25 september
De geur van buiten na de regen
Blaadjes onder de grote boom
Het donkere wolkendek trekt sloom
Over ons huis en de verlaten wegen.
De wind die de takken laat kraken
En het zand de lucht in strooit
Zie je de rest van het jaar nooit
Maar de tijd heeft hem doen ontwaken.
Mijn blote voeten, de speels zwaaiende was
Koud, vervelend, eigen schuld
Een klein beetje meer geduld
Of hele kleine snelle pasjes door het gras.
De lijn is voorzien van een sieraad
Geschonken door de natuur
De glinsterende druppels zijn klein maar puur
En doen vrijwel niemand kwaad.
Op mijn tenen dan, maar wel heel vlug
Mijn handen volgeladen
Verweerd maar vastberaden
Ben ik weer bij het huis terug.
Een week lang dichten
maandag:
Maandaggevoel
De wekker…
Opstaan
Blote voeten op de koude vloer
Maandaggevoel
De trein…
Donker
Geroezemoes van andere reizigers
Maandaggevoel
dinsdag:
Herfst
Kleur in de bomen
bladeren op de grond.
Voor de schemer
een laatste wandeling met de hond.
Regen en wind
soms hagel tegen het raam.
Buiten speelt een kind
ingepakt tegen de kou.
woensdag:
Presentatie
Een groep hoofden
ogen op mij gericht.
Nu moet ik
Nu moet ik iets zeggen
Zeg iets…nu
donderdag:
Excuses van de NS
Het voorste treindeel gaat helaas niet mee naar Zwolle, onze excuses.
Een overvolle trein
mensen kunnen niet meer mee
iedereen moet doorlopen zodat de trein nog voller wordt.
Mensen die geen haast hebben worden verzocht uit te stappen, onze excuses.
vrijdag:
Uitstapje
Zes vrouwen van zestig.
Barcelona is de bestemming.
Koffie, broodjes en puzzelboekjes.
Zenuwachtig dat het vliegtuig niet gehaald wordt.
Vertellen wat er allemaal in hun koffer zit.
Toilettas, reisgidsen en een vest voor als het koud wordt.
zaterdag:
De markt
geschreeuw
verse groenten
drukte
vislucht
zondag:
Zondag
Lang uitslapen en uitgebreid ontbijten voor de televisie.
Rustig aan want we hoeven toch niets.
Op familiebezoek en daarna wandelen.
Uitgebreid koken en dan nog een wijntje voor bij de film.