Voetje voor voetje, schuift Ella het bos in. Het grote donkere bos, dat volgens haar moeder vol gekken zit. Gestoorde monsters, die van kleine meisjes houden. Kleine meisjes, zoals Ella.
Ella kijkt wel uit, maar stap voor stap, geeft ze haar moeder meer en meer ongelijk. Ze recht haar rug en wandelt, steekt haar borst naar voren en huppelt. Een koolwitje fladdert rond haar dansende vlechten en ze voelt de warmte van de zonnestralen dwars door haar lichtblauwe plooirok op haar bovenbenen. Zie je wel, mama?
Dan is ze verdwaald en doelloos zwerft ze door het bos. Het grote donkere bos, dat vol gekken zit. Gestoorde monsters, die van kleine meisjes houden. Kleine meisjes, zoals Ella.
Minuten worden uren. Uren worden dagen. Het bos wordt een oerwoud. Een jungle vol slangen, met de voedselvoorraad van een woestijn. Als gestoorde monsters kronkelen de opgefokte cobra’s om Ella’s lichaam. Het uitgemergelde lichaam van het kleine meisje, dat op de klamme zwarte grond ligt. Mama, waar is mama?
Ella wordt wakker in een schuimend bad. Een warm bad in een kasteel van een koning en een een koningin met een zoon. Een prins die van jonge dames houdt. Jonge dames, zoals Ella.