De zomer is aan zijn einde. De herfst glijdt voorbij en de winter omringt het jonge meisje met de gescheurde kleren. Op blote voeten door de knerpende sneeuw slijt ze haar jaren, slijt de wind haar gezicht. Alleen geboren, nog niet gestorven. Maar alleen zal ze altijd zijn. Haar leven was mooi, vol, pijnlijk, prachtig. Ouder van geest dan de meesten, haar gezicht is getekend, afgebeiteld. Ze gaat liggen en met een glimlach vol littekens knikt ze de dood toe.
Neem me maar mee.
Ze knikt de dood toe. Die laatste zin is niet eens nodig om dat te bevestigen. Prachtig!
Niet nodig nee, maar ik vind het toch wel mooi
Ha ouwe graftak, schrijf je de volgende keer iets over de geneugten van roze en glinsterende weerkikkers? ^^