Vanachter haar masker kijkt ze naar de dansende mensen. Ze hoort het geritsel van de baljurken en het schuiven van voeten. Het licht van de kaarsen weerkaatst op het glas van de grote kroonluchter die op zijn beurt kleine lichtvlekjes op de mensen onder hem werpt. Het lijken sterren, duizenden sterren. Maar het is schijn, het is niet echt. Dit is niet haar wereld, niet haar leven. Het geritsel van de jurken verandert in het razen van een najaarsstorm. Het schuiven van de voeten verandert in het gedreun van een onweersbui.
Zo snel haar baljurk het toe laat rent ze door de zaal, door de grote openstaande deuren de tuin in. Ze kijkt omhoog en ademt de frisse avondlucht diep in. Dan sluit ze haar ogen en voelt hoe haar lichaam in duizenden stukjes uiteenvalt. In duizenden sterren.