De kou van oktober snijdt vilein,
Door mijn vingers op mijn stuur.
Handschoenen lijken van satijn,
Speeksel op mijn tong proeft zuur.
In de nevelige verte van de straat,
Loopt een lange slanke man.
Mijn ogen vullen zich met haat,
Bevroren tranen op mijn wang.
Mijn benen fietsen steeds harder,
Willoos als gemaakt van elastiek.
De draadjes raken steeds verwarder,
Mijn hoofd vult zich met muziek.
Steeds sneller neemt het ritme af,
Terwijl mijn hartslag zich vertraagt.
Ineens ben ik opnieuw te laf,
Voel hoe mijn onwil de fiets doorzaagt.
De schaduw van de man verplaatst zich,
Grijs gaat op in dieper grijs.
Merk dat ik doodstil op de stenen lig,
Bedolven en omringd door ijs.