De fakkel die ze stevig naast zich in de grond heeft gezet, werpt een warme gloed op hen beiden. Ze kijkt naar zijn witte huid die door het donkere hout van de kajak nog witter lijkt. Het water van de rivier klotst tegen de kajak aan en doet het lichaam bewegen. Ze richt zich op en kijkt over de lange rivier die voor haar ligt. Het water glinstert in het maanlicht. Aan het einde ziet ze de stoom die de waterval veroorzaakt.
Even laat ze de twijfel toe in haar hart. Ze hoeft de kajak niet van de waterval af te laten storten. Ze hoeft zijn hand niet los te laten. Ze hoeft hem niet los te laten. Dat is waar, ze hoeft hem niet los te laten.
De kajak danst op het water als ze instapt. Ze gaat naast hem liggen en voelt zijn koele witte huid op de hare. Haar vingers pakken nog steviger zijn hand vast en langzaam verstrengelt haar hand zich met de zijne.
Het geraas van de waterval wordt sterker. De dauwdruppels dalen op hen neer. Ze kust nog éénmaal zijn wang, zijn ogen, zijn mond en dan is er niets meer. Geen sterren, geen maan, geen zon. Ze zijn weer samen.